Michčle                          

 

 

 

 

OVER ÖRDÖNGŐS

Band

 

 

 

 

 

Jeroen

 

 

 

INSTRUMENTEN

 

 

 

Frank

         
    
   
       

Michčle van Baaren: Viool, draailier, trom en zang

 Afkomstig uit een muzikaal nest begon zij al op 7 jarige leeftijd viool te spelen: een echte klassieke opleiding eerst op de muziekschool, later bij Qui van Woerdekom. Tijdens haar studie biologie ontdekte zij de volksmuziek, speelde bij het Leids Zigeunerorkest Csárdás en nam deel aan de “dansmuzikantenkursussen”, hetgeen een vervolg kreeg in haar samenspelen met Frans Tromp. Ze verdiepte zich in de Hongaarse en Zweedse muziek en volgde lessen bij o.a. Sándor Fodor (“Netti”), Martin Kodoba en Dénes Hrúz. In 1991 zei ze de biologie vaarwel, studeerde een jaar volksmuziek bij Jonny Soling op de “folkhögskola” in het Zweedse Malung en sindsdien is zij werkzaam als muzikant en (viool)docente.

Michčle speelde in de ensembles Vitriool en Strĺkspel. Op dit moment speelt zij naast Ördöngős ook nog in een Zweeds vioolduo.

Naar Boven


Jeroen Duijfjes : kontra, herdersfluit en zang  
 

Ooit klassiek begonnen op blokfluit en dwarsfluit, maakte ook Jeroen kennis met de volksmuziek uit Oost-Europa in orkest Csárdás. Hij ging daar panfluit spelen en later ook akkoorden op de altviool. In het Hongaarse danshuis raakte hij in de ban van de Hongaarse volksmuziek en dans. Toen in orkest Ördöngős de kontraplaats vacant kwam, greep hij zijn kans en de akkoorden vanaf dat moment op drie snaren tegelijk.

Na een eerste stoomcursus in Jászberény bij Antal Fekete (“Puma”), leerde hij verder vooral bij Szabolcs Hrúz, de weergaloze kontraspeler van orkest Düvő uit Salgótarján. Leermeesters en favoriete voorbeelden bij de authentieke orkesten uit Transsylvanië zijn verder vooral Stefan Moldovan uit Palatka en Ferenc Mezei (“Csángáló”) uit Szászcsávás.
    Naar Boven

Frank de Jong : bas, tárogató, cobza, gardon en zang
 

Frank de Jong speelt vanaf zijn 12e klarinet en saxofoon, waarbij hij een klassieke opleiding op de muziekschool kreeg en daarbij ook proefde aan de jazzmuziek. Zijn eerste kennismaking met Oost-Europese volksmuziek betrof een optreden van de Hongaarse groep Muzsikás in 1978. Vervolgens speelde hij  gedurende 13 jaar bij Csárdás, aanvankelijk als klarinettist en taragottist, en later als bassist. Het spelen van volksmuziek op de contrabas leerde hij in de praktijk, en door het volgen van lessen en cursussen bij diverse binnen- en buitenlandse specialisten, waarbij hij de Hongaarse stijl met name leerde van Gyula Kozma, Pál Havasréti en Róbert Doór. Vanaf de oprichting maakt Frank onderdeel uit van Ördöngős. Daarnaast speel(t)de hij o.a. in folklore orkest Zanat, balkanband Axxent, het Roemeense ensemble Hai Mîndruto en balkanmuziek en zigeunermuziek met het Sat Malo Trio en met Trio Trabant. Frank maakte tournees in binnen en buitenland en speelde mee op verschillende CD's.

 

Naar Boven


Instrumenten

 

viool

Een gewone viool met stalen snaren, zonder schoudersteun. Voor de typisch Hongaarse versieringen is een speciale linkerhandtechniek vereist.

 

kontra

Een altviool met een platte kam, bespannen met 3 snaren in de stemming g-d1-a. Doordat de snaren in één vlak liggen kunnen ze alle 3 gelijktijdig worden aangestreken. Dit instrument wordt gebruikt om harmonieën en ritme op te spelen ter begeleiding van de melodie.

 

(contra)bas

Een bas met 3 darmsnaren bespannen, in de stemming A1-D-G. Deze snaren geven het typische “ronkende”geluid in de Hongaarse muziek, vooral als hij wordt bespeeld met de kleine, primitieve Hongaarse stok. In bepaalde stijlen (bijvoorbeeld  bij Magyarpalatka en Ördöngősfüzes) wordt alleen de laagste snaar gebruikt, welke anderhalve toon hoger gestemd wordt dan normaal.

 

draailier

Dit snaarinstrument, dat in heel Midden- en West-Europa voorkomt, is een orkest op zich.

Op de melodiesnaar kun je via toetsen verschillende tonen maken, de bourdonsnaren geven een vaste begeleidingstoon, en de trompetsnaar zorgt via een kammetje, dat op een plaatje tikt, voor de ritmische begeleiding. Het wiel fungeert als strijkstok.

 

 

cobza (in het Hongaars: koboz)

Een soort luit met een korte hals en 2 maal 4 snaren, die paarsgewijs gestemd zijn (d1d-a1a- d1d –g1g). Het gedeelte van de hals waar de stemschroeven in zitten, staat onder een hoek van 90 graden naar achteren gebogen t.o.v. de rest van de hals. Het is een Roemeens volksmuziekinstrument, dat gebruikt wordt in de sterk Roemeens beďnvloede muziek uit Moldva.

 

herdersfluit

Een soort primitieve blokfluit uit Moldva (Moldavië in Roemenië).

 

trom

Onze trom is een tapan, een trom die in de balkan gebruikt wordt. In de Hongaarse muziek gebruikt men echter twee gelijke trommelstokken in plaats van een dikke stok en een riet om op de trom te slaan.

 

(ütő)gardon

Dit instrument heet letterlijk vertaald slagcello. Er zitten 4 snaren op: 3 dikke en 1 dunne darmsnaar, alle in d gestemd. Op de dikke snaren wordt geslagen met een stok, aan de dunne snaar wordt getrokken, zodat hij met een tik op de toets terugspringt. Dit instrument wordt alleen in Gyimes (een paar kleine dorpjes in de Karpaten) gebruikt. Meestal speelt een echtpaar samen: de man op de viool, zijn vrouw op de gardon.

 

tárogató (of taragot)

Dit houten blaasinstrument heeft een enkel riet en vertoont gelijkenis met een  sopraansaxofoon. Waarschijnlijk is dit instrument in de tweede helft van de negentiende eeuw, na de uitvinding van de saxofoon, in Hongarije ontworpen. Het instrument wordt zowel in de Roemeense als Hongaarse volksmuziek op grote schaal toegepast.

Naar Boven


Over Ördöngős

Op een festival in Hongarije in de zomer van 1985 werd Michčle van Baaren zo gegrepen door de Hongaarse volksmuziek, dat zij besloot een Hongaars trio op te richten. Na enkele wisselingen in de bezetting bestaat Ördöngős al ruim tien jaar in de huidige samenstelling. De naam van het trio is afgeleid van het dorpje Ördöngösfüzes in Transsylvanië en betekent duvels. Deze naam bevat een verwijzing naar vroeger tijden, waarin volksmuziek nogal eens als komende van de duivel werd aangemerkt. Duivels of niet, wíj zijn in ieder geval steeds meer in de ban geraakt van deze muziek: eerst speelden we Hongaarse LP’s na, later gingen we meerdere malen op reis naar Hongarije en Transsylvanië en namen les bij Hongaarse muzikanten wanneer de gelegenheid zich maar voordeed. Om de muziek en de mooie liedteksten beter te begrijpen namen we zelfs enkele jaren Hongaarse taalles.

Inmiddels gaven we concerten, soms met een danspaar of met de dansgroep Búzavirág, en speelden op feesten, recepties en partijen en in het Hongaarse danshuis in Utrecht. Dit laatste is al sinds 1985 dé plek waar geďnteresseerden in Hongaarse muziek en dans elkaar eens per maand kunnen treffen. Verder speelden we meermalen op het DoeDans festival en waren we op tournee in Italië en Hongarije.

Naar Boven